Abbema State

Uit Test Wiki
Ga naar: navigatie, zoeken


600×450px

De voormalige boerderij Abbema State behoort eigenlijk tot “Sevenhuzen” (Zevenhuizen), historisch gezien een wijkje apart, maar nu geheel opgenomen in het dorp Grou. Vanuit de woonkamer in het pand van de historische boerderij Abbema, had men vroeger een fraai uitzicht over de “Baai”, die nog tot aan de Parkstraat reikte, op het hoge ketelhuis, met daarboven de “stofzuigers” (cyclonen) en de forse fabrieksschoorsteen van Halbertsma.

300×414px

Uitzicht over De Baai vanuit de woonkamer van Abbema State op het ketelhuis en schoorsteen

Het huis en de schuur van Abbema State was eigendom van de familie Mulder, medefirmanten en familie van de Halbertsma's en de woning diende destijds als ambtswoning voor personeel van het bedrijf.

Abbema Sevenhuzen.jpg

Gezicht op de achterzijde van “Sevenhuzen” omstreeks 1955.
Aan de linkerkant is het karakter van Abbema als voormalige boerderij nog goed te zien.

800×580px

De schuur van Abbema State was onderdeel van de fabriek.
In deze houtopslag werkte één van de werklieden van Halbertsma als vaste medewerker. Hij had hier een grote elektrische afkortzaag tot zijn beschikking. Daarmee zaagde hij rechte, haakse kanten aan de lange pakken met fineer, nadat hij die zorgvuldig uit de voorraad had uitgezocht en geselecteerd op soort en kwaliteit voor gebruik in de fabriek. De afgezaagde kantstukken verdwenen uiteindelijk in de ronde ijzeren bakken, als zodanig bestemd voor verbranding in het vuur van het ketelhuis.
Het gegier van de zaag was tot ver op de buurt te horen, maar niemand in de buurt lette er na verloop van tijd meer op. Af en toe bracht de medewerker een aantal van die pakken naar de fabriek. Dat deed hij per handkar, die dan over het pad van Sevenhuzen bolderde.

Op de voormalige stallen van de boerderij bevond zich bovendien de opslag van chemicaliën (voornamelijk natronloog en trinatriumfosfaat voor de ketelinstallatie), houten balken, dakpannen, (vuurvaste) stenen, betonnen rioolbuizen, ijzerwerk, banden en buiten, daarachter op het terrein, bevond zich nog een oude langgerekte stal, door ons buurtkinderen het “oliehok” genoemd.

In het “lyts bûthús”, stonden de open vaten, waarin diverse losse materialen stonden opgeslagen. In een aantal vaten zat een soort “fijn leislag”, zoals dat op de bitumendaken werd gestrooid in een vloeibaar gestookte bitumenlaag. Misschien ook bedoeld als filtersubstraat.
Bepaalde chemicaliën stonden “open en bloot” opgesteld. Het ging o.a. om “caustic soda” ging, een stof die werd gebruikt als toevoeging aan het ketelwater.

Chemi.jpg

Waarschijnlijk wordt de wijze van opslag in de schuur van Abbema volgens de hedendaagse voorschriften volstrekt als onvoldoende en onveilig beoordeeld.

Een gemeen goedje...... Uit de vakliteratuur:
Natriumhydroxide (ook wel caustische of bijtende soda genoemd) is een anorganische verbinding met als formule NaOH. De stof komt voor als een witte, hygroscopische vaste stof, die zeer goed oplosbaar is in water. Tijdens het oplossen komt een grote hoeveelheid warmte vrij. De uiteindelijke oplossing wordt ook wel aangeduid als natronloog. Deze waterige oplossing is een sterke base en verdringt zwakkere basen uit hun zouten.
Natriumhydroxide is sterk hygroscopisch: pellets die aan vocht uit de lucht worden blootgesteld zullen vervloeien. De stof reageert eveneens met koolstofdioxide uit de lucht tot natriumwaterstofcarbonaat.
Het moet daarom in een afgesloten verpakking worden bewaard.

600×431px

Natriumhydroxide wordt in de industrie op vele manieren toegepast, onder meer bij de productie van zeep uit vetten (verzeping), kleurstoffen, kunstzijde, en cellulose uit hout en stro. Het wordt gebruikt bij de bewerking van katoen en de reiniging van vet, aardolie en petroleum.
Het is een zeer corrosieve stof die huid en ogen kan aantasten. Contact met de huid leidt tot weefselbeschadiging, roodheid, jeuk en ernstige brandwonden. De schadelijkheid is terug te voeren op het feit dat natriumhydroxide de in de huid aanwezige vetten verzeept. Contact met de ogen kan leiden tot gezichtsvermindering en blindheid. Oplossingen van natriumhydroxide in water worden als corrosief bestempeld, wanneer de concentratie meer dan 2% bedraagt.

Bij Halbertsma werd dit goedje gebruikt als toevoeging aan het opgepompte oppervlaktewater dat bestemd was voor de voeding van de stoomketels. Het doel hiervan was het voorkomen van neerslag van ketelsteen in de stoomketels. Het chemicaliëngehalte van het ketelwater werd dagelijks gecontroleerd en bewaakt.

Aan het eind van het “grut bûthús” was een ruimte afgeschot. Door de deur kwam men een ruimte binnen, waar op de oude stallen in rekken de banden van de garage-afdeling waren opgeslagen. De ruimte werd door betrokkenen het “bandenhok” genoemd.

Veel later, omstreeks 1964 hebben de buurtgenoten, allen werknemers van Halbertsma, in de boerderij met medeweten van het bedrijf alle muren en hooizolders van de stallen met mokers weggeslagen. De boerderij werd toen al niet meer door de fabriek gebruikt en de huiseigenaren hadden besloten om er een caravanstalling van de maken.
600×450px

De Hysters komen vaak naar Abbema. Zij brengen of halen dan lange fineerpakken naar en uit de schuur. Vaak ook halen of brengen zij olievaten-voor de machinekamer of Technische Dienst. De Hysters takelen deze vaten met kettinghaken in en uit de kolken, oorspronkelijk gebouwd en gebruikt voor de opslag van gier.

De kinderen van Sevenhuzen waren meestal toeschouwer, het getakel en gerangeer van de Hysters was natuurlijk voor de kinderen een welkome afleiding tijdens het dagelijks spelen en voor velen zeer interessant.

HN hysters gi k.jpg

In het oliehok stonden diverse rijen met olievaten, op speciaal daarvoor gemaakte “bokken” langs weerszijden van het hok op rij opgesteld. De diverse vetten en oliesoorten verschilden van elkaar in soort en viscositeit.
De meeste olievaten waren rood geschilderd, met aan weerszijden gele ronde zijden en daarop in rood het Shell symbool met opschriften in de Engelse taal. De in gebruik zijnde olievaten lagen op houten rekken of bokken, de schroefdoppen aan de voorzijde aan de onderkant.

De indringende oliegeur kwam de bezoeker bij het betreden van die ruimte doordringend tegemoet. Op de schroefopening van de vaten waren de tapkranen geschroefd, van het type zoals je die destijds ook wel zag op de kar van de melkboer. Op de bovenkant in het midden van het vat waren de doppen verwijderd voor de beluchting tijdens het aftappen.
Meestal waren ze behangen met lekbakken, met ijzerdraad aan het tappunt opgehangen. Daaronder, op de grond, langs weerszijden waren ook nog langwerpige aluminium bakken opgesteld, waarin de gemorste olie netjes werd opgevangen bij de tapwerkzaamheden.
De olievaten in het “oliehok” waren de vaten “waaruit werd getapt” door de mensen uit de fabriek, die op diverse plaatsen in de fabriek smeerolie voor de machines nodig hadden.
Vooral de machinisten, maar ook de monteurs van “de garage” (Halbertsma beschikte toen nog over eigen vervoersdivisie met vrachtwagens en bestelwagens), kwamen zo geregeld “op Abbema” om olie te halen.

600×698px

De voorraad met nog volle olievaten was opgeslagen in een tweetal voormalige gierkelders van de boerderij Abbema. Eén kolk lag er tussen de boerderij en het oliehok (het houten luik op de grote vierkante toegang tot de diepe kelder bevond zich links voor de toegang van het oliehok) en de andere, zeer grote kelder bevond zich op het achterterrein: een grote betonnen vlakte gaf de grootte van de kelder aan. Hier bevonden zich twee toegangen in de kelder, ieder ook weer afgedekt met grote vierkante houten luiken.

De volwassenen konden rechtop lopen in de kelders. De kelders waren nooit droog, er stond altijd wel water in. In ieder geval stond er vaak water in de vierkante verdiepingen in de vloer precies onder de ingangen. De grote kelders hadden hier en daar vierkante pilaren die het betonnen dak van de kelders moesten dragen. Het betonnen dak lag dus voor beide kelders op het maaiveld en waren zo sterk dat de Hysters (vorkheftrucks) van Halbertsma er zonder problemen met de olievaten op konden rijden en rangeren. Het achterste betonnen dak was bovendien ommuurd met een betonnen omheining, waarop nog een afzetting stond met prikkeldraad. Regelmatig kwamen de “Hysters” van de fabriek om er olievaten te halen en te brengen, met handige klauwtjes aan kettingen werden ze neergelaten of omhoog getrokken uit de kelders.

600×429px

Een hoog met prikkeldraad omheind terreintje tussen het oliehok en de “pôle” deed dienst als opslag. Het bood meer de aanblik van een stortterreintje: er lagen oude bouwmaterialen, stenen, lege roestende vaten, hoekijzers en stangen. Alles was zo’n beetje door het gras en onkruid overwoekerd.
Ook langs het pad van de boerderij naar de achterste kolk, gevormd door stalen rijplaten, lag aan weerszijden dezelfde soort rommel, eveneens overgroeid met onkruid.

Terug naar de pagina met onderwerpen