Het drijfwerk vanaf 1891

Uit Test Wiki
Ga naar: navigatie, zoeken

600×577px Drijfwerk nr 2.jpg

Bij de foto’s:
De aandrijfas in de fabriek omstreeks 1941
(afbeeldingen: collectie Halbertsma)

De fabriek van de 19e eeuw werd pas mogelijk door het gebruik van een stoommachine als centrale krachtbron. De kracht van de stoommachine werd dan overgebracht via het drijfwerk met een centrale as met haar aftakkingen naar de diverse machines.

Volgens deze werkwijze gebeurde ook bij Halbertsma de aandrijving van de verschillende productiemachines (voor het schuren, schaven en zagen) dus vanaf het begin in 1891 via een centrale as die door de hele fabriekshal liep. Op deze as zaten de loopschijven gemonteerd, waarover voor iedere machine de aandrijfriem liep.
De eerste stoommachine van van 12 PK trok deze hele zaak met gemak.
Bij Halbertsma was deze centrale as opgesteld boven de machines op de spanten van het gebouw, in andere fabrieken gebeurde dat soms ook via tunnels onder de werkvloer.


Stoomtechniek
Over het drijfwerk en de behandeling daarvan

Ook hier ontlenen we weer technische informatie aan E.F. Scholl:

Het drijfwerk van een (stoom)fabriek heeft als doel om het arbeidsvermogen van de arbeidsmachine over te brengen op de productiemachines.

300×265px

Tot het drijfwerk kunnen verschillende onderdelen behoren.
a. assen met bijbehorende kussenblokken
b. tandraderen
c. riemschijven
d. schijven voor touwen en staalkabels

Bij het ontwerpen en bouwen van een drijfwerk moeten een aantal algemeen geldende grondbeginselen in acht worden genomen.
Het aantal assen, kamwielen en riemschijven moet zo klein mogelijk zijn en hun gewicht mag niet groter zijn dan voor de sterkte en stijfheid (dus tegen vormverandering) van het drijfwerk noodzakelijk is.
De assen, waarmee de kracht wordt overgebracht, moeten op voldoende afstand door stoelen gesteund worden, en de koppelingen, tandraderen en wielen moeten zo dicht mogelijk bij deze stoelen worden geplaatst om daarmee buigingsspanningen in de assen te voorkomen.
Als men de koppelingen, raderen en wielen op ver uitstekende assen worden gemonteerd, dan moeten die assen veel dikker worden uitgevoerd. Onderlinge afstanden van de stoelen van 2,5 tot 3 meter is vaak voldoende.

199×137px 160×192px 300×185px

Alle delen van het drijfwerk die snel roteren moeten goed uitgebalanceerd zijn, omdat ze anders door het beginsel van “middelpunt vliedende kracht” trillingen in het drijfwerk gaan veroorzaken.
De uitstekende delen aan assen, koppelingen en raderen, in het bijzonder koppen van schroeven en spieën, moeten door ronde kappen worden afgeschermd, omdat er zich vaak ongelukken door hebben voorgedaan bij toevallige aanraking.
Het aantal omwentelingen van de aandrijfas hangt af van de snelheid van de aandrijfmachine en de overbrengingsverhouding.
Hoe meer omwentelingen/minuut hoe dunner de assen kunnen zijn voor een bepaalde krachtsoverbrenging. Ook de riemschijven en raderen kunnen dan kleiner zijn.

300×147px Drijfwerksnelheidsregelaar

Snellopende assen zijn dus goedkoper. De opstelling van zulke snelle assen en kleine schijven vraagt meer aandacht m.b.t. de balancering en het zuiver monteren.

De snellopende houtbewerkingsmachines hebben snellopende assen nodig van plm. 200 tot 300 omw./min., bij metaalverwerkende machines zal dat aanmerkelijk lager liggen.

Het afstellen van de assen en schijven behoort tot het werk van de monteur, de machinist moet het drijfwerk kunnen beoordelen en testen.
Grote fouten komen naar voren door het aflopen van riemen (en het snel verslijten of breken van tandwielen).
Kleine fouten kan men bij cilindrische assen opsporen met waterpas en/of schietlood.
Het spannen van koorden, het opmeten van onderlinge afstanden en het gebruik van winkelhaken kan het parallel lopen van assen in zicht brengen.

Behalve door een slordige opstelling van het drijfwerk kunnen er ook problemen worden veroorzaakt door afslijting van het metaal van de kussenblokken, het doorzetten van fundamenten, slechte bevestiging van de stoelen en ook door verbuiging van gebinten.
De lagers van kussenblokken kunnen van verschillend materiaal zijn vervaardigd. Kussens van brons hebben de voorkeur, maar ook “hard lood” of pokhout komen in aanmerking. Na 1910 worden er ook lange lagers van gietijzer gebruikt.
Voor het smeren van de kussens wordt gebruik gemaakt van minerale oliën, vooral voor snellopende assen hebben ze grote voordelen.

300×227px

De kussenblokken van de vliegwielen verdienen bijzondere aandacht: door trillingen worden de moeren op de kap van het blok vaak losgewerkt. Daarom worden die moeren met pennen geborgd.

Bij de riemschijven moet men vooral letten op de zuivere centrering. Riemen die op onzuiver afgestelde riemschijven lopen, gaan niet lang mee en kunnen de kracht niet gelijkmatig overbrengen. De riemschijven mogen ook niet scheef zijn opgesteld, evenmin mogen de assen niet anders dan evenwijdig lopen.
Anders loopt de riem er steeds af, zo gauw er enige kracht wordt uitgeoefend.
Zij worden dan immers steeds weer strak aangespannen en daarna weer losgelaten en vervolgens lopen ze weg om er tenslotte helemaal van af te lopen.
Daarom wordt er ook wel eens een riemleider of een vork aangebracht. Het nadeel is dat de riem al snel tweezijdig afslijt.
Gewoonlijk worden de vellingen van de riemschijven bolvormig of kegelvormig gemaakt, zodat dus de middellijn in het midden groter is dan aan de randen.

300×293px
(afbeelding uit: De Gids voor Machinisten, door E.F. Scholl, 1903)

Bij gebruik van riemen van dubbel leer mogen de schijven slechts zeer flauw bolvormig zijn, daar anders de verbinding te veel zal lijden.
De vellingen van de riemen zijn altijd afgedraaid en hebben overal dezelfde dikte om trillingen te voorkomen.
In het begin werden er alleen gietijzeren riemschijven gebruikt, maar later werden ze ook van smeedijzer vervaardigd. In enkele gevallen worden ze ook van hout gemaakt, maar dan worden ze wel ingenieus gelijmd (systeem Menzel)
Als er gebruik gemaakt wordt van spanrollen, moeten ze steeds aan de minst gespannen zijde worden aangedrukt.

200×458px
(afbeelding uit: De Gids voor Machinisten, door E.F. Scholl, 1903

De spanrol kan het beste door veren worden aangedrukt. Dat is beter dan met een gewicht. Bij gebruik van spanrollen moet de las zo weinig mogelijk verdikking en stijfheid hebben. Leren riemen worden daarom ook wel uit verschillende dunne lagen tezamengelijmd, waarbij dan de naden verspringen. Bij grote snelheden kan men beter gebruik maken van geweven of genaaide, katoenen riemen die men van allerlei afmetingen zonder naad kon verkrijgen.

300×96px
(afbeelding uit: De Gids voor Machinisten, door E.F. Scholl, 1903

Voor de drijfriemen gebruikt men het goede “rungaar” leer, i.p.v. het goedkope aluingare leer. De laatste leersoort is n.l. veel minder duurzaam. De riemstukken moeten zo veel mogelijk van gelijke dikte uit de kern van de huid worden genomen en voor het gebruik door gewichten worden belast, zodat zij uitrekken en drogen. Als men rugleerstukken en buikstukken samen naait of -lijmt, dan trekt de riem scheef en loopt dan van de schijf af.
De afzonderlijke delen worden aan elkaar genaaid met een leren veter of bindriem, die door regelmatig ingepriemde gaten gehaald wordt.
Als de riemen regelmatig verlengd of verkort moeten worden, dan wordt er ook wel eens een verbindingswijze gekozen die gemakkelijk losgemaakt en weer vastgehecht kan worden. Toch is het zo dat iedere nieuwe riem van leer rekt door het gebruik en na verloop van tijd ingekort moet worden. Dan moet de naad worden losgemaakt en de riem na inkorting weer moet worden vastgemaakt, daarom moeten de gaten altijd regelmatig op precies dezelfde afstanden worden aangebracht.
Bij het vastnaaien van zeer zware en grote riemen wordt een riemspanner gebruikt. De gekruiste steek komt daarbij aan de zijde van de riemschijf, de rechte steek komt dan uiteraard aan de buitenkant, evenals de knoop.
Voor het onderhoud van de riemen, moeten ze van tijd tot tijd met vet worden ingesmeerd. Dat moet tenminste met een regelmaat van drie maanden gebruik worden gedaan.
Bij machines komt het voor dat men tijdens het draaien de riem wil afleggen of opleggen. Dat moet uiteraard wel voorzichtig gebeuren, omdat een ongelukje hier op de loer ligt. Het is ook mogelijk om daarvoor een riemoplegger te gebruiken.

Drijfwerk fig 519 gi k.jpg
Verdwijnende vakkennis
(afbeelding uit: De Gids voor Machinisten, door E.F. Scholl, 1903

Herinnering

Ik heb geen herinneringen meer aan het drijfwerk van de fabriek. De riemen van de machines zie ik nog wel voor me. Beide machines dreven met grote riemen assen aan die gekoppeld waren aan generatoren.
Ook de “nieuwe” Werkspoormachine draaide een lange, brede omhooggaande riem naar het generator-platform in de machinekamer. Later werd achter de Werkspoormachine een nieuwe grote Grammont-generator geplaatst, die direct op de as werd geplaatst via een veerkrachtige koppeling.
De Hanomagmachine bleef via een lange, brede omhooglopende leren riem een as aandrijven, hoog en onzichtbaar in een muurnis in de “oude machinekamer”. Via de lange as in de muurnis dreef ook de Hanomag generatoren aan die waren opgesteld in de “nieuwe machinekamer”.

Ik kan mij nog goed herinneren dat mijn vader thuis regelmatig vertelde over stukgelopen riemen of geknapte riemen. Zulke situaties waren niet zonder gevaar. In sommige gevallen kon je merken dat hij van die voorvallen behoorlijk onder de indruk was en opgelucht was, als het incident zonder gevaar voor het personeel was afgelopen.

Het ging om de grote dikke riemen die werden aangedreven door de Hanomag of Werkspoormachine. Ik schat dat de riemen ongeveer en meter breed waren en daarbij ook enkele centimeters dik waren.
De zware riem vloog er dan vaak in voorkomende gevallen al zweepslaand af, vlogen met enorme kracht door de machinekamer en ze konden dus op die manier gemakkelijk verwondingen teweeg brengen. De Werkspoor- en Hanomag-machine waren in het begin beide met hun riemen ook nog vaak op één centrale as gekoppeld (ze konden ook worden ontkoppeld), wat onderling spanning in de riemen veroorzaakte.

Bij mijn weten werden de riemen gemaakt of gerepareerd door gespecialiseerde vakmensen van een bedrijf dat daarvoor werd ingehuurd. De kleine en smalle riemen in de fabriek zullen in het begintijdperk van het drijfwerk misschien wel door de eigen monteurs van Halbertsma zijn onderhouden. Ik schat dat het assenstelsel en de riemaandrijvingen kort voor of na de tweede wereldoorlog uit de fabriek verdwenen zijn. De stoommachines draaiden vanaf dat moment alleen nog maar met generatoren.

179×364px
(afbeelding: detail van een aquarel van J.P. Rottiné)

Terug naar de pagina met onderwerpen