Werkspoor vlampijpketel 1926

Uit Test Wiki
Versie door Jan Pieter Rottiné (Overleg | bijdragen) op 10 mei 2018 om 08:59

(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Ga naar: navigatie, zoeken

800×382px
Het systeem van de vlampijpketel van 1926
(afbeelding: uit Het Scheepsstoomwerktuig, deel 1, door A.D.F.W. Lichtenbelt, Rotterdam 1915)

Reconstructie


De Werkspoor Vlampijpketel van 1926
In 1926 wordt er in het bestaande ketelhuis van de Halbertsma-fabriek een nieuwe ketel geplaatst.
Waarschijnlijk zal de vlampijpketel van 1907 in 1926 zijn verouderd of zijn afgekeurd.
Er zijn echter ook aanwijzingen gevonden dat dit reeds in 1922 kan zijn gebeurd.

De nieuwe ketel van is een ketel van het vlampijp-type, gebouwd door Werkspoor te Amsterdam, volgens een voor deze jaren modern ontwerp.
Hierbij wordt bij Halbertsma wel teruggegrepen op de manier van “uitwendig stoken”, waarschijnlijk omdat op deze wijze het grove houtafval beter “onder de ketel” kan worden gebracht.
De nieuwe ketel heeft een aanzienlijk groter verwarmend oppervlak, n.l. 236 vierkante meter.

Het principe van deze ketel spreekt vrijwel voor zichzelf en wijkt, afgezien van het uitwendig stoken, niet bijzonder af van de Lancashire ketel. Kenmerkend zijn de vlampijpen, die vanaf het ketelfront naar de achterzijde lopen en bedoeld zijn om het contact van de hete rookgassen via de pijpwand met de ketelinhoud te intensiveren. Hierdoor wordt ook het verwarmend oppervlak aanmerkelijk vergroot. De rookgassen trekken onder de ketel door, gaan door de pijpen naar voren om aldaar in een rookkast uit te komen, vervolgens gaan ze door de zijdelingse rookkanalen, gevormd door de ketelbemetseling, naar achteren om daar via een rookkast en de rookkanalen naar de schoorsteen te worden afgevoerd.

De vlampijpijpketel heeft een voor-ondervuur. De stoker werpt de brandstof via een vultrechter met schuifdeur op het vuur voor en onder de ketel.
De keuze van Halbertsma voor deze ketel zal te maken hebben gehad met de ketelontwikkelingen (kleine ruimte die de ketel inneemt en het grote verwarmende oppervlak door de pijpen) en de aard van de aanwezige brandstof: houtafval en turf. Deze brandstoffen kunnen gemakkelijk gestookt worden in een uitwendig voor-onder vuurhaard.

Tot 1939 wordt de benodigde stoom voor de machines en voor de fabrieksverwarming geproduceerd door de twee liggende ketels: één Lancishireketel (Stork) en één vlampijpketel (Werkspoor).

800×404px
Plattegrond ketelhuis situatie 1926 na plaatsing van de Werkspoor-vlampijpketel
(afbeelding: J.P. Rottiné)

Stoomtechniek

De Vlampijpketel
De vlampijpketel bestaat in zijn eenvoudigste vorm, in plaats van een ronde ketel met één of meer vuurgangen, uit een ronde ketel met een aantal vlampijpen (zie ketel van 1907). De hete rookgassen gaan door de pijpen en geven zo de warmte af aan het omringende ketelwater dat de vlampijpen omstroomt.
Als vuurhaard wordt voor een vlampijpketel vaak de voor- of ondervuurhaard toegepast.
De bemetseling is zo gemaakt dat de vlampijpen in de tweede trek liggen, zodat de gassen eerst onder en langs de ketel trekken.

Later is deze ketelvorm niet veel meer toegepast, omdat wegens de kleine plaatsruimte, stoomruimte en waterspiegel, het stoomverbruik zeer regelmatig moet zijn: anders wordt de stoom al gauw zeer “nat”.
Als voedingswater voor de ketel mag alleen zeer zuiver “zacht” water worden gebruikt, niet alleen met het oog op het moeilijke schoonmaken van de vele vlampijpen, maar ook vanwege de ondervuurhaard.
De ervaring is ook dat de vlampijpen in de achterfrontplaat heel spoedig lek worden, vooral als er brandstof wordt gebruikt die met een lange vlam brandt (b.v. oliegestookt)

[[Bestand:Pijpen vlampijpketel 1926 gi k.jpg|500x905px|link=]

De vlampijpen worden alleen maar gebruikt in naadloos gewalste of overlappend gelaste vorm gebruikt. De vlampijpen zijn nooit stomp tegen elkaar gelast. De naadloze worden het meest aanbevolen.
De vlampijpen zijn in de fig. 102-104 aangegeven. Wij zien dat het ene uiteinde verwijd is, zodat het gat in de plaat daarvoor groter moet zijn. Dat is nodig om de pijp gemakkelijker in de ketel te kunnen brengen en er zo ook weer uit te kunnen trekken.
Een andere manier is door het uiteinde van de pijp “op te stuiken”, zodat de pijp daardoor op die plaats een grotere wanddikte krijgt.
De bevestiging van de pijpen in de platen gebeurt door “uitwalsen” met behulp van een “expander”. Soms ook worden de nog buiten de plaat uitstekende delen nog “omgekraald”.
Bij de vlampijpen volgens fig. 104 zijn de einden voorzien van conisch afgedraaide dichtingsringen, die op de pijpen gesoldeerd zijn. Deze ringen passen zo goed in het gat, dat slechts een licht opwalsen van de pijp een stoomdichte afsluiting doet ontstaan.

Soms dienen de vlampijpen ook voor verankering van de platen, dan worden ze steunpijpen of ankerpijpen genoemd.
De wanddikte van zulke pijpen is groter dan die van de vlampijpen, terwijl ze bovendien door middel van schroefdraad in de platen worden bevestigd. De bevestiging in de platen is in fig. 103 aangeven.

Voor het uitnemen van de vlampijpen bij herstelwerkzaamheden worden trekstangen toegepast, zoals in fig. 105 is aangegeven.
Door het draaien van de moer op de beugel B wordt de pijp losgetrokken, waarbij de pijp bovendien door hamerslagen op schijf S, losgeslagen moet worden.
Voor het inbrengen van de pijpen in de platen moeten de einden uitgegloeid worden en vervolgens goed schoon gemaakt worden om zuivere dichtingsvlakken te krijgen.

De plaatsing van de vlampijpen kan gebeuren als in fig. 106-109 is aangegeven. Bij landketels worden de vlampijpen meestal horizontaal gelegd, bij scheepsketels worden ze meestal hellend aangebracht naar de rookkast toe om de verwarmingsgassen gemakkelijker naar de schoorsteen toe te laten trekken.
In het algemeen wordt bij landketels het plaatsingspatroon volgens fig. 106 aangehouden.

In fig. 110-112 is de “expander” of “pijpenroller” in zijn eenvoudigste vorm weergegeven. Deze bestaat voornamelijk uit een conische stalen pen (1), waaromheen meestal drie tapse stalen rollen zijn aangebracht. Deze rollen zitten in uithollingen van het huis en worden door de ring (4) welke om (3) geschoven is, verhinderd uit de pijpenroller te vallen.

Het aanbrengen van de pijp gebeurt als volgt: het pijpeinde wordt goed schoon en blank gemaakt, bij vloeiijzeren pijpen wordt het uiteinde eerst goed uitgegloeid. De pijp wordt daarna in het gat gestoken (fig. 112) en de pijpenroller erin geplaatst, zodat de rollen (2) tegen de pijp drukken. De pen 1 wordt nu zacht aangeslagen en daarna rond gedraaid, zodat de ronddraaiende rollen (2) de pijp uitweiden en vast tegen de pijpenplaat drukken.

351×429px
Plattegrond van de diverse uitbreidingen van de krachtcentrale bij Halbertsma: de gebouwen schuiven langzaam op tot in de oude dorpsbebouwing
(afbeelding: J.P. Rottiné)

Terug naar de pagina met onderwerpen