Bouw van een nieuw ketelhuis 1939

Uit Test Wiki
Ga naar: navigatie, zoeken

Definitieve uitbreiding van de ketelhuizen

In 1939 werden plannen ontwikkeld om de krachtcentrale opnieuw uit te breiden. Ditmaal ging het om een noodzakelijke vergroting van de stoomproductiecapaciteit, waarbij meteen een modernisering werd doorgevoerd in de vorm van een waterpijpketel.
Er kwam tegen en naast de machinekamer van de Hanomagmachine een uitbreiding in de vorm van een ruim nieuw ketelhuis. Dit ketelhuis had een respectabele hoogte en het zou hoog boven de omringende fabrieksgebouwen uit torenen. Het ketelhuis was ook architectonisch een vernieuwing: het had de kenmerken van de industriële architectuur van omstreeks 1930-1940.

480×401px
(bron: LC-archief)

Ketelhuis 1939 2 gi k.jpg

800x1164

Ketelhuis 1939 4 gi k.jpg

Ketelhuis 1939 5 gi k.jpg

Ketelhuis 1939 6 gi k.jpg

Ketelhuis 1939 7 gi k.jpg

800×556px

Ketelhuis 1939 9 gi k.jpg

Ketelhuis 1939 10 gi k.jpg

Ketelhuis 1939 11 gi k.jpg

Ketelhuis 1939 12 gi k.jpg

Ketelhuis 1939 13 gi k.jpg

(bron afbeeldingen: archiefstukken Gemeente Idaarderadeel)

Ketelhuis BenW1 gi k.jpg
Het ketelhuis van 1941 in aanbouw door aannemers De Jong te Grou
(afbeelding: collectie B. Lageveen)

142×200px
De kenmerkende gevel van het ketelhuis met zijn glazen elementen
(afbeelding: collectie Halbertsma)
Na het doorlopen van de voorafgaan procedures volgde de bouw van het ketelhuis. De in bedrijfsneming zal omstreeks 1941 hebben plaatsgevonden.



Cyclonen
Boven op het nieuwe ketelhuis werden een aantal grote cyclonen geplaatst voor aanzuiging van de houtspaanders. De cyclonen werden in een zware houten stellage geplaatst en zij waren, naast de hoge fabrieksschoorsteen, vanaf het water van de Grou en het Pikmeer als markant punt van verre zichtbaar.
De cyclonen waren vanaf het dak d.m.v. trappen en ballustrades gemakkelijk bereikbaar, dit was noodzakelijk om onderhoud te kunnen plegen en verstoppingen te kunnen verhelpen.

600×429px 309×429px
De cyclonen op het dak van ketelhuis van 1941
(afbeelding: collectie Halbertsma)

In het nieuwe ketelhuis werd een grote ketelinstallatie opgesteld. tweede
De ketel was niet nieuw: de door Stork gebouwde ketel dateerde uit 1919. Hij was dus tweedehands en werd overgenomen van een suikerfabriek te Dinteloord.
Deze ketel was van het type “Babcock and Wilcox” met een verwarmend oppervlak van 420 vierkante meter, een oververhitter van 91 vierkante meter en een z.g. economiser van 648 vierkante meter. De werkdruk was 13,4 atmosfeer.

Ketelhuis NVH gi k.jpg
Het ketelhuis van 1941 in aanbouw door aannemers De Jong te Grou
(afbeelding: collectie B. Lageveen)

Voorblad Stork gi k.jpg
(afbeelding: reclame van Stork-Hengelo,
pag. 97 uit: Landketels, door G.J. Harterink, Amsterdam 1921)

Vaak werden zulke ketels gestookt met behulp van een oneindig kettingrooster dat ronddraaide, waarop de kolen als een dunne laag werden uitgespreid om op deze wijze zeer gelijkmatig te worden aangevoerd.
Bij deze ketels was het noodzaak om regelmatig te stoken en te zorgen voor een “warmtetoevoer-in-overeenstemming-met-de-stoomproductie”.
Een machinale stookinrichting met regelmatige brandstoftoevoer was bij Halbertsma natuurlijk niet mogelijk vanwege de aard van de te gebruiken brandstof. Te Grou stookte men houtafval in allerlei soorten en maten, houtspaanders en -stof. Wanneer er daarvan onvoldoende aanwezig was, nam men zijn toevlucht tot bruinkool en turf.

In de laatste jaren stookte men ook wel met stookolie. De vrachtauto’s kwamen dan tot op het Halbertsma-plein en via een lange pijpleiding werd de dikke olie naar de voorraadtank bij het ketelhuis geperst. Deze leiding moest in de winterperiode veelal met stoom worden voorverwarmd om het transport van de olie door de persleiding mogelijk te maken.
Vanwege de vele soorten brandstof werd de B. en W.-ketel gestookt via een vuurhaard met onderliggende en aan één zijde schuin oplopende roosters (traprooster).
Het vuur werd via het traprooster van bovenaf gevoed door beschreven openingen vanaf het bordes, via de verdeelkasten voor spaanders boven de vulgang (die eigenlijk fungeerde als “doodbed” of via de oliebranders.
Op deze wijze zijn er ontzaglijke hoeveelheden hout, bruinkooi, turf en olie in het vuur verdwenen.

600×414px
De voorraad turf of bruinkool opgeslagen "aan de overkant" bestemd voor het ketelhuis
(afbeelding: collectie Halbertsma)

Soms lagen er huizenhoge bergen aan bruinkool en turf aan de “overkant”. In het geval dat deze voorraad moest worden aangesproken, moest er voor een constante toevoer van over het water worden gezorgd. Omdat de brandstof via een bedrijfspont over het water van de Grou moest worden gezet, was het stoken in die situatie nog arbeidsintensiever dan normaal reeds het geval was.

H fotob twee 14 stookbordes gi k.jpg
Stoker Pieter van der Veght duwt de brandstof naar beneden over het traprooster
(afbeelding: collectie Halbertsma)

Alles wat in Grou in aanmerking kwam om te worden opgestookt werd naar de ketels gebracht: veel particulieren raakten op deze van hun “grof vuil” af. Grou had zijn eigen vuilverbrandingsinstallatie. Er werden toen nog geen “metingen” verricht i.v.m. de uitstoot van gevaarlijke stoffen!

400×424px
De stoomfluit wekte iedereen om 7 uur’s morgens!
(afbeelding: collectie Halbertsma)

ir. D.W. Kwak schrijft hierover: //Een houtgestookte ketel vlakbij een dorp gaf natuurlijk overlast. De stoomfluit wekte iedereen om 7 uur’s morgens. Vliegas, pijpluizen genoemd, vervuilden het dorp. Menige verhuurder van zeilboten, maar ook menige huisvrouw, heeft Halbertsma verwenst, wanneer de zeiltjes en het aan de lijn hangende wasgoed weer eens roetzwart werden. Zaten de cycloons verstopt dan werd Grouw bij het doorblazen als Pompei onder het stof bedolven! Gelukkig hadden we toen nog geen milieu- inspecteurs...//

Herinnering
De fabriek zelf was op verschillende plaatsen te betreden: de hoofdingang was aan de Stationsweg, waar door middel van een zwaar hekwerk met portiersloge, duidelijk werd gemaakt dat dit de “officiële” ingang was voor de handelsbedrijven en de overige bezoekers.

In het hart van het dorp, in de buurt van de Suderkade, was de oude, waarschijnlijk meer oorspronkelijke, ingang tot de fabriek te vinden.
Heel goed herinner ik mij nog die ingang van dat oude fabrieksgedeelte. De zware groene houten dubbele deuren, tussen de hoge betonnen wanden van ketelhuis tot sprinklerlokaal, die als afscheiding en entree fungeerden.
Via deze ingang kwam je in een soort open corridor, de bodem belegd met betonnen “stelcon” platen en losse ijzeren platen. Als je door de corridor liep kwam je door een grote deur de oude “smederij” binnen. Als je daarna rechtsafsloeg, langs het smidsvuur en het aambeeld, kwam je bij een zware metalen schuifdeur.

600×436px
De oude smederij met de deur naar de westelijke machinekamer
(afbeelding: collectie Halbertsma)

Die gaf via een betegelde trap toegang tot “het kantoortje” van de machinist aan de linkerkant en rechtuit tot de gang met de grote elektrische schakelpanelen ter rechterzijde, die de hele wand van de gang naar de eigenlijke machinekamer besloegen. De gang was eveneens belegd met fraaie tegels en je liep over een rode loper van “kokos”-vloerbedekking. Achterin die gang kwam je dan via een glazen deur in de machinekamer van de Werkspoormachine, de compressoren en de generatoren.
De hele machinekamer was fraai betegeld, brandschoon en belegd met dezelfde soort lopers.

Terug bij de fabrieksingang, lagen tegen het ketelhuis, naast de grote toegangsdeuren, de nutteloze resten van bomen opgestapeld, voornamelijk onbruikbare onderstukken van boomstammen, klaar om te zijner tijd in de vuren onder de ketels te verdwijnen.

De zure reuk van het waardeloze spinthout en de wegrottende spaanders op de grond en het aanzicht van het constant neerdalende fijne houtstof uit de hoog-boven-je-hoofd uittorende stofzuigerleidingen, komen als vanzelf weer in mijn gedachten te voorschijn. Er heerste een behoorlijk lawaai, de stofzuigers (cyclonen) die de hele dag op volle toeren draaiden, maar ook het gehuil van de grote lift, in het ketelhuis opgesteld, juist aan de linkerkant achter de zware metalen toegangsdeur, uitgevoerd als schuifdeur, met zware wielen hangend op een al even robuust uitgevoerde ijzeren rail.

800×570px
De karakteristieke ingang van het ketelhuis
(afbeelding: J.P. Rottiné)

De “tremmers” waren regelmatig druk in de weer om met die typische platte Halbertsma-houtwagentjes, bestaande uit twee ijzeren wielen in het midden en aan weerszijden steeds twee kleinere ijzeren zwenkwielen, vanuit het gehele fabriekscomplex, uit de diverse afdelingen die veel hout verwerkten, brandstof aan te voeren naar het ketelhuis.

Vol beladen met afvalhout of met ijzeren vaten, met daarin eveneens houtafval, kwamen zij meestal uit de lange betonnen gang, recht tegenover de ingang van het ketelhuis op de open ruimte (corridor) met betonplaten.
Zij waren geheel in beslag genomen door hun werk en daarom kon ik vaak ongestoord in en rondom het ketelhuis zwerven.

Aan het eind van die lange gang bevond zich ook ergens de “breker”, een machine die klein afvalhout nog verder kon verpulveren om er spaanders van te maken. (verschredderen is dus niet nieuw!)

Door de zware dubbelwandige stalen schuifdeur kwam je het ketelhuis binnen.
Links van de ingang bevond zich de lift waarop de wagentjes met afvalhout, afval van boomstammen en tonnen met turf geladen werden.
De lift was voorzien van een verticaal bewegende ijzeren schuifdeur, met daarin een rond kijkglas (patrijspoort) met handbeugel. Als de deur omhoogschoof, was de lege lift zichtbaar, eigenlijk een ijzeren bak met bodem, twee zijschotten en een achterschot. Hij was beneden gestopt tot op kniehoogte.
De stokers of tremmers zetten het aangevoerde hout en de ijzeren vaten op de lift, schoven de luiken (balansconstructie) van de ijzeren liftdeur naar beneden en drukten vervolgens op de rode knop van de lift. Met veel geraas zette de lift zich elektrisch in beweging om een verdieping hoger, op het stookbordes weer te stoppen. De stokers liepen ondertussen langs de naast de lift bevestigde ijzeren wenteltrap omhoog naar het stookbordes.


H fotob negen 14 Jan veenstra stoker gi k.jpg
Stoker Jan Veenstra op het stookbordes
(afbeelding: collectie Halbertsma)

Hier stond de lift inmiddels precies op “middelhoogte” en de stoker behoefde slechts de bakken en houtpartijen op de aangrenzende rollenbaan over te schuiven en door te rollen tot de boel aan het eind van de rollenbaan tegen elkaar aan botste en dus niet meer verder kon. Klaar voor gebruik in de vuurhaard! De rollenbaan was over de hele lengte van het stookbordes opgesteld langs de muur, met daarboven het invallende licht van die typische lange smalle verticale raampartijen, eigenlijk glazen bouwstenen, zo kenmerkend voor het “nieuwe” ketelhuis. Tremmers en stokers zorgden ervoor dat de hele rollenbaan voortdurend volstond met een partij hout of andere brandbare zaken (bruinkool of turf), zodat “het vuur” goed verzorgd kon worden.

In het ketelhuis, rechts na binnenkomst door de ketelhuis-deur, bevond zich onder het stookbordes een ondergalerij met, parallel daaraan, een naastgelegen verdieping in de vloer. Via die verdieping had je toegang tot de stalen deurtjes met draaibare luchtroosters en kijkglazen die op hun beurt weer via gangen toegang gaven tot de onderzijde van de roosters (het traprooster) in de vuurhaard. Uiteraard was deze ruimte slechts toegankelijk op momenten dat er zich geen vuur in de vuurhaard bevond en ook dan nog straalden de vuurvaste stenen in die gang veel warmte af.
Recht voor je uit zag je bij binnenkomst in het ketelhuis de lange gang ter linkerzijde van de ketelopstelling met aan de linkerzijde van die gang de schuingeplaatste toegang tot één van de beide machinekamers, nl. die van de Hanomag-machine.


De weldadige warmte van het ketelhuis, het gezwoeg van de stokers en “tremmers” en ’s avonds het stereotype gepiep van de kakkerlakken…….
Het ketelhuis was het gebied van het halfduister. Je kon om de hele ketelopstelling heen lopen. Hoog torenden de gemetselde muren van de ketelopstelling boven je uit. De muur was op gemetseld in metalen profielen, hierdoor ontstonden er “vakken” met steeds enigszins rondgemetselde ingevallen muurgedeeltes. De opstelling wordt door mij ingeschat als een soort rechthoek,aan de voorkant een breedte van 4,5 m en de langszijde van 7 m, hoogte ongeveer 15 m. Aan de voorkant, onder het stookbordes, bevond zich dan de verdieping van de vloer, ongeveer 60 cm diep.

800×572px
(afbeelding: uit Het Scheepsstoomwerktuig, A.D.F.W. Lichtenbelt, deel 1, Rotterdam 1920)

Als je door de nauwe ondergang om de ketelopstelling liep kwam je ook langs de vergrendelde deur van het “stofhok”: een later aangebouwde silo , waarin houtvezels en spaanders werden opgeslagen. Achterin kwam je dan terecht bij de economiser, de rookuitgang, en de hoger gelegen klepkasten van de B&W-ketel. De donkere gang “linksom” scheidde de ketelopstelling van de “oude machinekamer”. Aan de linkerkant zaten, hoog in de muur, de grote raampartijen, waardoor je het reusachtige vliegwiel kon zien van de Hanomag-machine en de ca. 1 m brede aandrijfriem die vanaf de trommel aan het vliegwiel schuin omhoog liep naar de bovenliggende aandrijfas naar de “nieuwe machinekamer”.

Achterin de gang kwam je over een serie ijzeren afdekplaten, waaronder de rookkanalen te bereiken waren, waarmee vuurgangen van de beide oude ketels uit het oude ketelhuis met de grote schoorsteen waren verbonden.
In de achtergang van de ketelopstelling in het ketelhuis was eveneens een smal bordes. Hierop werd (meestal in de vakantieweken van de zomervakantie) eventueel gewerkt door de machinisten, de mannen van de eigen Technische Dienst en de ingehuurde monteurs van “Ducosto” en later: “Recoma” van de Gebr. Van Duuren: de klepafdichtingen (pakkingen) van de veelvoudige series vlampijpen moesten worden gecontroleerd, vernieuwd en “gezet” worden.

Nieuwe cycloon gi k.jpg
De cyclonen op het ketelhuis krijgen een steeds grotere capaciteit
(afbeelding: collectie Halbertsma)

Men kon het hout door de vele buizen horen gieren op weg naar de zgn. “stofhokken”, de voorlopige opslagplaatsen.
In het ketelhuis, vlak naast de lift, bevond zich de toegangsdeur tot één van de stofhokken.
Op daarvoor geschikte momenten zorgden de stokers ervoor, dat de spanen d.m.v. een elevator naar de verdeelkasten boven de stookplaats werden gezogen, waarna zij mechanisch in het vuur werden uitgestrooid.
De stoker had dan de toegangsdeur naar het “stofhok” geopend, in de kleine ruimte daarachter werd de metershoge berg van spanen en stof gekeerd door een houten schot.
Aan de onderzijde van het schot was een houten luikje aangebracht. Als dat luikje geopend was kon de stoker de spanen met een hooivork naar zich toehalen om ze vervolgens voor de zuigmond van de elevator te brengen.
Ik kan me goed herinneren dat het werken met de houtspaanders en het houtstof een gevaarlijk karwei was. Zo is één van de stokers indertijd op tragische wijze in het stofhok door verstikking om het leven gekomen, tijdens een nachtdienst, bij het verwijderen van een “brug” houtspaanders.

Bovendien was het materiaal in deze vorm hoogst explosief en “vuur in het stofhok” was een zeer gevaarlijke situatie. Er hebben zich in de loop van de beschreven tijd dan ook meerdere malen ernstige branden en explosies voorgedaan, waarbij éénmaal, in 1957, enige personeelsleden, t.w. chef-machinst J. Rottiné , stoker A. van der Meer en de bedrijfs-brandweercommandant J. Sjoerdsma, ernstige brandwonden opliepen toen zij een stofhok op de aanwezigheid van vuur moesten inspecteren en genoodzaakt waren de toegangsdeur te openen… Een hevige explosie met steekvlam was het gevolg.

Het stookbordes was bereikbaar via een open stalen wenteltrap in de hoek bij de lift. Je kwam dan uit op een verdieping die bestond uit geribbelde stalen platen die altijd glommen door de slijtage van het dagelijks veelvuldig geloop van stokers en machinisten.
Vanaf de lift, langs de muur van het ketelhuis met de dikke glazen raampartijen, was over de gehele breedte van het ketelhuis dus de reeds genoemde rollenbaan aangebracht, waarover de brandstof gemakkelijk vanuit de lift kon worden voortgeduwd tot achter de luiken van de vuurhaard.
Voor de stoker bevonden zich de grote motorisch aangedreven verdeelkasten (“werpstokers”) voor de houtspaanders die boven de stooktoegang van de vuurhaard waren geplaatst. Daaronder, voor de verdeelkasten, was een tweetal openingen tot de vuurhaard aangebracht, afgesloten met een schuin aangebrachte dikke metalen schuifdeur, die de stoker door middel van een constructie met een zwaar contra-gewicht, toch nog vrij gemakkelijk kon bedienen.
In de zich daarboven bevindende deksels van het stookgat waren kleine ronde kijkglazen aangebracht in de vorm van een soort patrijspoort, zodat de stoker het vuur kon controleren, ook als de deksels gesloten waren.

De stoker had een verantwoordelijke baan: zijn kundigheid bestond uit het onderhouden van een “vuur” dat optimaal brandde, een hoge temperatuur bereikte om zodoende grote warmte af te kunnen geven aan vlam-, waterpijpen en ketels en dat alles natuurlijk met zo weinig mogelijk brandstofverbruik!
Ervaring, inzicht, en een juiste intuïtie bepaalden het vakmanschap van een stoker. Hij moest ook de keteldruk bewaken en er op letten dat de ketels altijd voldoende water bevatten. Hij bediende pompen, kleppen en schuiven….

600×407px
Stoker Sint Kooistra op het stookbordes
(afbeelding: collectie Halbertsma)

Natuurlijk kwam de dienstdoende machinist regelmatig langs om zich van de gang van zaken op de hoogte te stellen.
De stoker was meestal moeilijk te herkennen: ik zie nog altijd de beelden van de beroete, bezwete en dus glimmende gezichten, fel verlicht door het flakkerende vuur. Zwoegende gestalten boven de roodgloeiende vuurhaard, enigszins vertekend door de tintelende hete lucht, wanneer de luiken geopend waren.
De arbeidsomstandigheden waren zodanig, dat zij zich na hun dienst konden gaan douchen in het bijbehorende “badhuis”, heet water en stoomverwarming waren in overvloed aanwezig, zoiets was voor die tijd voor de meeste mensen thuis nog een luxe accommodatie!
Zij losten elkaar volgens dienstrooster af en werkten zo door de week gezamenlijk het etmaal rond, want ook ‘s nachts moesten de vuren worden onderhouden, om ‘s morgens vroeg opnieuw gemakkelijk stoom te kunnen maken.

's Zondags waren de vuren na de vrije zaterdag zover afgekoeld, dat het mogelijk werd om de vuurhaard te gaan inspecteren.
Via touwen daalden de machinist, de bouwkundige en soms de stoker in speciale ketelpakken via de laadopeningen en over het traprooster af in de vuurhaard om vervolgens de muren aan een zorgvuldig onderzoek te gaan onderwerpen.
De vuurhaard onder de vlampijpen en ketels was opgebouwd uit zogenaamde “vuurvaste” stenen, gemetselde muren met op de vloer de noodzakelijke afdekking d.m.v. gietijzeren roosters.
De stenen waren altijd aan zeker verval lijdend: zij smolten langzaam maar zeker, zij hadden soms een “glasachtig” aanzien, en de muren werden na verloop van bepaalde tijd “instabiel”. Soms dreigden ze om te vallen en er was een zekere ervaring voor nodig om te kunnen beoordelen, op welk moment ze noodzakelijk moesten worden vervangen.

600×388px
Vuurvaste stenen in de gemetselde muren van de vuurhaard
(afbeelding: collectie Halbertsma)

Na een onderlinge gedachtenwisseling bepaalde de inspectieploeg ter plaatse gezamenlijk hoe lang de muur nog mee zou kunnen of soms dat er een tijdelijke “noodmuur” achter een oorspronkelijke muur moest worden geplaatst.
Vaak werd er op de zondag door de bedrijfstimmerlieden overgewerkt om in een recordtijd de nieuwe muren op te zetten, zodat er op de maandag weer kon worden gestookt.

500×563px
Bedrijfstimmerman Jan van der Werf zet een nieuwe muur van vuurvaste stenen in de vuurhaard
(afbeelding: collectie Halbertsma)

Aan de rechterkant op het stookbordes hing een lange staaldraad langs de muur met aan het einde een handgreep.
Daarnaast was een kastje op de muur gemonteerd. Daarin zat waarschijnlijk een elektrische klok, want op de ingestelde tijden werd er een “buzzer”-achtig geluid voortbracht.
Dat was voor mij als kind het teken dat ik aan de ring in de staalkabel mocht trekken: de stoomfluit op het dak van het ketelhuis baste dan zijn doordringend geluid over het hele dorp, omdat het twaalf uur (middagpauze) was of vijf uur in de namiddag (einde werktijd). Naast het klokgelui van de torenklok was de stoomfluit van Halbertsma een tijdbaken voor de Grousters.

Aan de kant van de stoomfluitkabel kon je ook langs een smalle opengewerkte ijzeren trap nog verder omhoog klimmen. Het was geen leuke omgeving voor mensen met hoogtevrees.
Via de trap kwam je op een langwerpig platformpje dat voor de “drums” en peilglazen van de B. en W.-ketel langs liep, aan de buitenkant slechts afgeschermd door één enkele ronde stang bij wijze van leuning. Op dit platform kon de machinist zijn werkzaamheden verrichten aan de peilglazen en manometers.

600×484px
Het platform voor de drums van een Babcock en Wilcox-ketelsysteem voor het verrichten van werkzaamheden
(afbeelding: Het Geheugen van Nederland - Stork fotoarchief)

Vanaf dit platform kon je nog weer hoger klimmen langs opnieuw zo’n smalle ijzeren trap langs de rechterzijkant van de ketelopstelling.
Langs deze weg kwam je o.a. langs de stalen deurtjes die toegang gaven tot de ruimte met de bovenste vlampijpen van de oververhitter: soms moesten de machinisten door die deurtjes naar binnen kruipen om de vlampijpen te kunnen inspecteren. Vaak moesten er in die kleine ruimten ook reparaties worden verricht: altijd onder extreem hoge temperaturen, ondanks de periode die men in acht had genomen om voor voldoende “afkoeling” te zorgen.

Wanneer men vandaar nog verder omhoog klom kwam men tenslotte “op de ketel”. Men bevond zich dan op een (heerlijk warme!) stenen vloer met daarin de openingen die naar de “drums” leidden. Hierin waren ook de veiligheidskleppen, afsluiters en -alarmfluiten aangebracht.

600×451px
Op de bovenvloer van een B&W-ketel, appendages vergelijkbaar met die van Halbertsma
(afbeelding: Het Geheugen van Nederland - Stork fotoarchief)


Via de mangaten in de ketel gingen hier de stokers en het schoonmaakpersoneel op gezette tijden de ketels in om de ketels schoon te maken en te bevrijden van ketelsteen door het eraf te bikken. Een onplezierig en heet karwei.

600×397px
De ketelschoonmaakploeg even in de frisse lucht uitrustend. Ook de machinist doet mee.
(afbeelding: collectie Halbertsma)

Op regelmatige tijden kwamen ook de inspecteurs van het “Stoomwezen” om de ketels en bijbehorende installatie te keuren. Soms moesten er in hun opdracht preventieve acties of reparaties worden verricht en dan werd de ketel daarna opnieuw gekeurd.
De stenen vloer boven in het ketelhuis werd ook wel eens voor andere doeleinden gebruikt. Zo kan ik me herinneren dat de huisvrouwen in natte winterperioden wel wasgoed meegaven aan de echtgenoten om die boven de ketels te laten drogen. Er waren ter plekke dan ook waslijnen gespannen. Het drogen van wasgoed was dan in zeer korte tijd voor elkaar.

De vloer kon ook als droogvloer worden gebruikt. Bij slecht weer konden de echtgenotes van het personeel er de was drogen en ook werden er op de vloer regelmatig de in vieren gedeelde “zoete” appeltjes, die in het klassieke appelhof van Abbema aan de fruitbomen groeiden, gedroogd.

Vanaf de ketelvloer kon je nog via een houten trap tot op het dak van het ketelhuis komen. Slechts de cyclonen torende daar nog hoog boven je uit. Vanaf het dak kon je het hele dorp overzien.

800×577px
Luchtfoto van het bedrijf met het ketelhuis in 1950
(afbeelding: collectie Halbertsma)

Terug naar de pagina met onderwerpen