Oprichting van de fabriek 1891

Uit Test Wiki
Ga naar: navigatie, zoeken

In Halbertsma Nijs 1947, nr. 1, vinden we een relaas van de ontwikkelingen in de boterhandel in de 18e en 19e eeuw.
Het laatste gedeelte gaat over de


oprichting van de fabriek in 1891.

Wij citeren W. Postma:
//De oprichting van de fabriek vond plaats na de strenge winter van ’90 op ’91. De grond was toen in April nog zo hard, dat de fundamenten er met een houweel in gekapt moesten worden.
Het eerste fabriekje werd gezet in de tuin van de oprichter, tegen de schuren, waarin toen het kuiphout, dat tot dien tijd werd verhandeld, was opgeslagen. Het komische hierbij was, dat de heer Halbertsma dit fabrieksgebouwtje van een afgeschuinde hoek voorzag, zodat zijn vrouw vanuit de huiskamer het uitzicht bleef houden over het water van de Grouw naar de spoorbrug.
Hieruit blijkt wel, dat van begin af aan nooit de gedachte is opgekomen, noch de ambitie heeft bestaan, om een zo groot bedrijf te stichten als de fabriek langzamerhand geworden is. Het voordeel van de zaak, tenminste de vathoutfabriek en later ook de kistenfabriek, is altijd geweest, dat deze gesticht zijn op een ogenblik dat er behoefte aan was en dat ze gegroeid zijn, naarmate de behoefte toenam. Er is altijd uitgegaan van de gedachte: denk er om, er moet nooit behoefte aan een concurrent bestaan. Dit principe werd in toepassing gebracht, zowel met betrekking tot de prijspolitiek als met betrekking tot de service, welke de klanten gegeven werd. Nooit is een uitbreiding tot stand gekomen uit het verlangen een groter bedrijf te hebben, maar altijd uit de overtuiging, dat het noodzakelijk was voor de vlotte bediening van de afnemers.
Het stichten van de fabriek was voor de heer Halbertsma een heel ding. Natuurlijk duurde het enige tijd voor hij z’n vader, die in die jaren vrij wat van z’n levenskracht had verloren door het overlijden van z’n oudste zoon, had overtuigd van de noodzakelijkheid van de oprichting van de fabriek. Tenslotte vroeg hij hem een bedrag te lenen; hij zou het dan voor eigen risico doen. Toen het echter zover was, zei z’n vader: “Dat wil ik niet, jij hebt in de afgelopen jaren zoveel voor je zusters gedaan, wanneer het dan moet, zal ik het risico dragen”. En zo werd dan tot de oprichting van een fabriek besloten.
De grondslag voor een groot bedrijf was gelegd. Eenvoudig, zonder ophef. In een oud kasboek kan men op de bewuste datum een uitgaaf van nauwelijks meer dan een gulden vinden voor de dronk, waarmee dit feit werd beklonken. Dat was alles.//

Reconstructie

Op 9 december 1890 (ingek. Stuk no. 470 anno 1890) richt Hidde Halbertsma te Grou een verzoek tot het College van B. en W. van de gemeente Idaarderadeel om een fabriek voor machinale houtbewerking te mogen bouwen.

400×587px
Hidde Halbertsma Binnertszoon was de financier van de fabriek
(afbeelding: uit De Kof, jubileumboek 1941, collectie Halbertsma)

De omwonenden: A. van der Velde, J. van der Ploeg, Wed. H. Halbertsma en L. K. de Vries zijn afwezig op de hoorzitting en geven daarmee aan geen bezwaar te hebben. Daarmee is aan de Hinderwet voldaan!
Op dit verzoek wordt tenslotte positief beslist en op 7 januari 1891 wordt de vergunning afgegeven.


300×556px
Hiddes zoon Pieter Goslik Halbertsma was de nieuwe drijvende kracht achter de fabriek
(afbeelding: uit De Kof, jubileumboek 1941, collectie Halbertsma)

De stukken die zijn opgenomen bij de Hinderwetvergunning:

18901209 voornemen-aanvraag HB Halb gi 1.jpg
Het voornemen van H.H. Halbertsma en de aanvraag van een vergunning

link-
Beschrijving van het project

Oprichting stuk no 3 gi.jpg
Toelichting van H.B. Halbertsma op de tekening

1891 Schetstekening HBH gi.jpg
De schetstekening van de fabriek

(afbeeldingen: Archief van de Gemeente Idaarderadeel)

Op 25 mei 1891 begint Hidde Binnert Halbertsma samen met zijn zoon Pieter Goslik te Grou een bedrijf voor “machinale houtbewerking”, onder de naam “Firma H. Halbertsma Bz.”.

Voortkomend uit een bakkersfamilie laat hij de bakkerij al spoedig door aangenomen personeel exploiteren, om zich daarnaast aan de handel in boter en kuiphout te kunnen wijden. Halbertsma is leverancier van botervaten.

Na 1880 wordt het eikenhout afkomstig uit de Baltische Staten steeds meer vervangen door beukenhout, geïmporteerd uit de Midden-Europese landen.
De leveranciers van klufthout (waaruit het kuiphout werd gekloofd) gaan daarbij bovendien kant en klaar materiaal leveren: gezaagde duigen en plankjes voor de bodems en deksels. Al spoedig doet zich het probleem voor dat de diverse zagerijen afwijkende maten hanteren voor hun “kant-en-klaar” produkten, zodat de duigen en plankjes niet uitwisselbaar zijn en dus gescheiden moeten worden gehouden. In veel gevallen moeten de duigen en bodems door Halbertsma en zijn medewerkers zelf op maat worden gemaakt. Dit zal de nodige ergernissen hebben gegeven.
De concurrentie in deze marktsector was bovendien zeer fel. Daarom moest een handelsondernemer de gave van een vooruitziende blik bezitten. H. Halbertsma en zijn zoon gaven echter uitstekend partij.

350×286px

Interessant is het verslag van een werknemer, de heer Sj. Sjoerdsma: (accentueringen van de webmaster) Felle concurrentie

//“De oude zaak die lange jaren reeds had bestaan ging achteruit. Het eiken vat verdween zachtjes aan en het Deensche vat van beukenhout kwam er voor in de plaats. Wat hiervan de oorzaak was doet hier niets ter zake. Maar de Heer Halbertsma had er voor zijn zaak wel mee te maken. Zooals hij vertelde woonde de Fabrikant van dit vathout in Apeldoorn en de alleenverkoop voor Frieschland was opgedragen aan iemand in Bolsward. Daar de handel in eikenhout steeds achteruitging, stapte de Heer Halbertsma eens naar die Fabrikant in Apeldoorn en vroeg hem of hij de helft van de verkoop van vathout in Frieschland kon krijgen. Deze Heer antwoorde toen, dat hij daar niet aan dacht, hij had aan een vertegenwoordiger genoeg in Frieschland. Ik heb hem toegezegd, dan bouw ik zelf een fabriek voor het maken van vathout. Toen lachte die man mij uit. Thuisgekomen zei ik tegen mijn vader, nu staat het zoo, wij bouwen zelf een fabriek en met Mei aanstaande, beginnen wij vathout te maken. En met Mei daaropvolgende is inderdaad de Fabriek begonnen. Drie jaar later vertelde de Heer Halbertsma nog, ontmoete ik die fabrikant uit Apeldoorn eens op een vergadering van fabrikanten. Hij zag mij vreemd aan dat ik daar ook was. Twee jaar later was hij in’t falisiment. Van die machines zijn hier nog drie in Grouw gekomen.”//

Het aangehaalde verslag kenmerkt de gewaagde stap die door vader en zoon Halbertsma werd gezet- het oprichten van een fabriek voor machinale houtbewerking.
Voor onze huidige begrippen zijn machines in een fabriek een vanzelfsprekendheid, maar voor deze mensen betekent het besluit een nieuw begin- de overgang van handwerk naar machinaal werken, van werkplaats enerzijds naar “fabriek” anderzijds. Een fabriek wordt aangedreven door een centrale krachtbron, waarop vervolgens de machines met leren riemen worden “aangesloten” om het zo doorgegeven arbeidsvermogen om te zetten in de gewenste bewerkingen van grondstof tot eindproduct.

Terug naar de pagina met onderwerpen