Situatie vóór 1891

Uit Test Wiki
Ga naar: navigatie, zoeken

Reconstructie

Om de situatie aan de Grou en De Baai van voor de bouw van de fabriek in 1891 te kunnen beschrijven maken wij gebruik van bewaard gebleven teksten van 2 ooggetuigen:

De memoires van Sj. Sjoerdsma
(opgetekend plm. 1945)
In de beschrijving putten wij geregeld informatie uit de memoires van de heer Sj. Sjoerdsma, zoals hij die voor zijn werkgever in een dictaatcahier heeft opgeschreven. Sj. Sjoerdsma heeft tot 1945 in het bedrijf gewerkt. Het dictaatcahier behoort thans tot de collectie van het museum Hert fan Fryslân te Grou.


De memoires van de heer W. Postma
verschenen in Halbertsma Nijs. 1954 no. 9


Situatie rond De Baai in 1832
bron: de minuutkaarten van het kadaster 1832

500×346px
Bij de cijfers:

1. Zomerhuisje, Hendricus Cannegieter, notaris
2. Huis en erf, Hendricus Cannegieter, notaris
3. Huis en erf, Bauke Douwens Wijma, timmerman
4. Huis en erf, Renske Simons
5. Huis en erf, Symon Jans vd Werf, timmermansknecht
6. Huis en erf, Hendricus Cannegieter, notaris
7. Huis en erf, Yjalling Halbertsma, koopman
8. Huis en erf, Teije Johannes Bennerts


Sj. Sjoerdsma:

//Memories over Halbertsma’s Fabrieken voor houtbewerking, voor, tijdens en na de oprichting, opgeteekend op verzoek van den Heer P.G. Halbertsma en Mevr. A. Halbertsma-Fauël.

Als men zoo eens door die groote fabriek loopt en zich dan voor de geest roept hoe het er uit zag op die terreinen, een 65 a 70 jaar geleden, dan staat men versteld over de grote veranderingen die hier hebben plaatsgehad in dit tijdsverloop en welk een hoofdbreken dit heeft gekost om zooiets in ’t leven te roepen.
Toen schrijver dezer regelen nog een jongen was, woonden zijn ouders waar nu de timmerwinkel van de Fabriek is. Daarom herinnert hij zich ook nog zoo best hoe alles er toen uitzag.
In de zomer vertoefden wij als jongens veel op de tûn, zooals die terreinen waar de fabrieken thans staan, door de Grouwsters werden genoemd. ’t Was daar zoo’n mooie gelegenheid om te hengelen en men had daar nog eens kans om een groote visch te vangen.
Dat die terreinen daar de naam van de tûn hadden gekregen, kwam vermoedelijk, omdat voor het Heerenhuis dat daar stond een vrij groote tuin lag, waar vrij veel vruchtbomen in stonden. Genoemd Heerenhuis had twee kamers aan de west kant met een deur in ’t midden. Men had daar uitzicht op de rechte Grouw tot aan de spoorbrug.
Ten zuiden van dit huis stonden drie houtschuren, twee groote en een kleine. De tuin liep ten zuiden om het huis heen. In die kleine houtschuur was tevens plaats voor huisbrand.
Aan de noordkant van die tuin stond een koemelkerij van Ide Jonker. Dit was voor die tijd een timmerwinkel.
Bij deze koemelkerij langs had de Heer H.B. Halbertsma een heel lang kippenhok. Ik heb er nooit anders in gezien dan zwarte Friesche kippen. Ten westen van de tuin liep een vrij breed pad langs. Dit pad liep om de houtschuren heen en was bij de tuin met een z.g. richterstek gescheiden, hetwelk wit in de verf was. Op het einde van dit pad bij de baai stond een schutting dat de scheiding was van de tuin van boterkoopman L. de Vries.
Daar achter die schutting stond een prieel dat ook een mooi uitzicht had op de rechte Grouw.
De Familie Halbertsma heeft dit prieel later ook nog in stand gehouden, toen zij eigenaar werd van huis en tuin van den heer de Vries, maar dat heeft geen lange jaren geduurd.
Het zoo straks genoemde heerenhuis had zijn ingang voor in de steeg bij het oude gemeentehuis. Naast de deur was een kamer die uitzicht gaf op het z.g. witte plein en de waagshaven die later gedempt is. Naast deze kamer aan de overkant van de gang was een heele grote keuken, wat vroeger een bakkerij moet zijn geweest.
Er is een tijd geweest dat de Heer H.B. Halbertsma een bakkerij exploteerde. Ten tijde dat wij jongens waren leefde de laatste meesterknecht nog. Deze is heel oud geworden. Hij was vrijgezel en beter als ik niet weet had hij een pensioen van Halbertsma. Wij noemden hem ôlde Pieterbaas. Hij was bij Jan Boerke Trientsje in. Die woonde waar nu de bakkerij van Halma is.
Uit die bakkerij hadden wij in de afd. Slijperij nog altijd een weegschaal, voor het tegen elkaar wegen van roteerende beitels. Deze evenaar met de bijbehorende beuken weegschaaltjes was afkomstig uit bedoelde bakkerij. Men kon aan die plankjes wel zien dat daar voortdurend deeg op was gewogen. De plankjes waren zoo hol uitgeschraapt.
In de kleine houtschuur zo straks al genoemd, was in de z.w. hoek een klein kantoortje met ramen die boven in een halve cirkel stonden. In het kantoortje waren verschillende kasten. Een van die deurtjes hebben wij nog lang gebrukt voor een beitelkast in de slijperij.
Voor dat kantoortje stond op hoek van baai en grouw, een groote zware wilgenboom, die schuin over het water hing.

600×437px
De Lytse Fabryk
(afbeelding: aquarel van J.P. Rottiné)

Wij mochten als jongens altijd wel op de tûn komen te visschen, maar als het in de zomer mooi weer was, dan zat de oude Heer Halbertsma Zondagmiddags daar nog wel dikwijls met zijn vrouw te theedrinken. Als wij er dan kwamen om onder die boom te visschen en daar wou het haast altijd wel bijten, dan moesten wij verdwijnen, met de mededeeling, deis meie jimme hjir fiskje safolle as jimme wolle, mar Sneins wol ik jimme hjir net hawwe. Dan verdwenen wij haastig want over dag hadden wij alle vrij daar.
Behalve die wilgenboom stonden er ook nog populieren bij de Grouw langs. Doch de boom op de hoek van Grouw en baai, had naast zijn schaduw nog een andere nuttige beteekenis. Als de schepen met eikenhout (piipestêven??) uit Duitschland kwam, werden die voor de wal getrokken, door een tros om die wilgenboom te leggen en met een draadspil werden die schepen over een droogte heen getrokken die tusschen baai en Grouw lag.
In de baai moesten zij altijd worden gelost. Zoolang die lozzing duurde zat er altijd een belastingcommies op de kant. Wij begrepen zulks toen niet, maar later hoorden wij wel dat zulke schepen verzegeld waren en dat er op smokkelwaar moest worden gelet.
Voor de meeste arbeiderswoningen was het in die tijd moeilijk om goed drinkwater te krijgen als het in langen tijd niet had geregend. Men had meest anders niet dan een peterolie ton of een melkvat of boter vat, waar hij regenwater in vergaarde maar bij langdurige droogte was dit gauw op. Regenwaterbak en waterleiding was luxe in die tijd nog.

300×413px
Het filter aan De Grou
(afbeelding: aquarel van J.P. Rottiné)

Nu had de Heer Halbertsma voor deze menschen aan de z.g. tûn in de Grouw een filter laten maken van twee tonnen boven op elkaar, met een pomp er op. Dit stond ongeveer drie meter van de wal af. Er lag een loopplank heen. Als het nu in de zomer lang droog was, kon elk die wou, daar water uit halen. Het was natuurlijk geen leidingwater, maar het was gefilterd en benzine had men toen op het water nog geen last van. In elk geval het water was voor veel doeleinden wel geschikt. Als men het niet drinken wou, kon men wel drinkwater uit de Kerkebak halen of schoolbak, maar dat koste per emmer een cent, en op de tûn koste het niets. En veel menschen hadden liever van slootwater koffie als van regenwater. Slootwaterkoffie was lekkerder zei men en het wordt toch gekookt.//

W.Postma:

500×223px
(afbeelding: uit Halbertsma Nijs, collectie Halbertsma)

//Het is een bekend feit, dat met de groei van “Halbertsma’s Fabrieken” het dorp Grouw hiervan in hoge mate heeft geprofiteerd. Het is zelfs zo, dat wie Grouw zegt, ook zegt Halbertsma of omgekeerd.
Als wij dus willen trachten een overzicht te geven van het ontstaan en de groei van de “Halbertsma’s Fabrieken”, dan is het onvermijdelijk in dit overzicht ook het dorp Grouw te betrekken. De verschillende foto’s, die dit artikel illustreren, zullen ons uitermate behulpzaam kunnen zijn het beeld zo volledig mogelijk te doen zijn.
Wij beginnen met een schets te geven van de situatie omstreeks 1875.
De “Baei”die een grote rol heeft gespeeld in de uitbreiding van Halbertsma’s Fabrieken, was toendertijd nog volledig intact. De eerste aanslag hierop vond plaat in 1903. Tot zo lang was de “Baei” een bij uitstek geschikt viswater. Ouderen en jongeren maakten hiervan ruimschoots gebruik. Zoals de foto ons toont werd de Noordzijde ingenomen door de drie houtschuren. Deze waren groen geverfd met witte zwaarden. Achter deze schuren bevond zich de tuin, woning enbakkerij van Hidde Binnerts Halbertsma en later in gebruik genomen door Pieter Goslings Halbertsma. Aan deze wal, die gewoonlijk Hidde Binnertstún genoemd werd, vonden ook de boterschepen, als ze niet in de vaart waren, ligplaats.
Gaan we verder de Baei langs, ik bespreek de situatie voor de eerste demping, dan vinden we naast de genoemde schuren, tuin en woning van Halbertsma, weer een grote tuin met woning, eigenaar Lijkele de Vries. Hiernaast het pand bewoond door Jochems Jans Zuidema. Dan nog de woning van Wed. L. Halbertsma en ’t kantoor van Tjalling Hiddes Halbertsma. Deze woonde waar nu de slagerij van Buwalda is gevestigd.
Wij komen nu aan een stukje publieke wal. De wal heette in de volksmond Kersthúswâl. De officiële naam was Kaarshuiswal. De aanleiding tot deze benaming was gelegen in het feit, dat in het volgende perceel, thans bewoond door de Wed. Zeldenrust, een vetsmelterij was gevestigd ter vervaardiging van vetkaarsen. Eigenaar was Bouwe van der Meulen, die het later als pakhuis gebruikte.
Twee huizen verder was ook nog een pakhuis van Van der Meulen, waar hij kunstboter fabriceerde. De woning naast die van Wed. Zeldenrust, werd bewoond door Anne Haites. Deze stamde uit de familie Haites, die bijna allen het schoenmakersbedrijf uitoefenden. Een leerlooierij was aan dit bedrijf verbonden en was gevestigd, waar thans Broer Stellingwerff woont. Herre Klazes van der Veen woonde naast de schoenmaker. Met een nauw steegje tussen beiden komt nu het gebouw, waarin de firma van der Made en de Vries hun bedrijf stichtten.
Voorheen was Bouwe van der Meulen eigenaar, die het als graanpakhuis gebruikte. De Baei was nog intact, zodat de schepen met graan voor de wal konden varen en gelost worden. Deze wal noemden we Herre Klazes wâl. Hier heb ik als jongen menige vis gevangen en vele terechtwijzingen gekregen van de vrouw van de genoemde van der Veen. Dan was er nog een schiphuis, waar het jacht van Lijkele Lijkeles onderdak vond. Deze beide panden zijn inmiddels ook door het bedrijf opgelost.
Wij komen nu aan de zgn. Nieuwe wal, thans Zuiderkade.
Met het dempen van de haven, die liep tot aan de stal van H. van Stralen, werd meteen een opslagplaats gemaakt en daarom Nije wâl genoemd.
Wij hebben hiermede de situatie beschreven voor de demping van de Baei.
Bij de noodzakelijk geworden uitbreiding, zijn de panden van Lijkele de Vries, Jochem Jans Zuidema, de woning bewoond door Wed. L. Halbertsma, later door Wiepke Sints de Jong, later nog door L. Buwalda, het kantoor van Tjalling Hiddes Halbertsma, later bewoond door slager Jurjen Bokma, door het bedrijf aangekocht.

600×507px
(bestand: kaartfragment gebaseerd op een kadasterkaart van 1818, uit: Paad troch Grou, uitgave Pleatslik Belang Grou)

De situatie aan de Noordzijde van het terrein van Halbertsma was omstreeks dezelfde tijd als volgt. Eerst de veehouderij van IJde Jonker, met een steeg tussen beiden volgden vanaf de Grouw, de woning van Wed. Looienga, die van Jisk Zuiderbaan, de slagerij van Tjitse Uilkema en de woning van Klaas Budstra.
Achter deze woningen stond het gemeentehuis met tuin en de gemeentehuissteeg daar tussen. Al deze panden zijn geleidelijk door het bedrijf aangekocht, zodat ook daar de mogelijkheid geschapen werd om uit te breiden.
De overkant bestond in die tijd uit maagdelijke rietkragen. Deze rietwal bood aan de visliefhebbers ’n ideale gelegenheid. In de zomer maakten wij dan ook hiervan ruimschoots gebruik. Het was dicht bij huis en gewapend met 3 tot 4 hengels maakten wie de schouw vast in de luwte van het riet, zodat wij het dorp in het gezicht hadden. Als dan na enige tijd de zon boven de huizen uitkwam, konden we geen mooier plekje bedenken. Maar ook in ander opzicht had deze rietwal voor ons grote bekoring. Het zoeken van meerkoet- en eendeëieren was voor ons een heerlijke sport, evenals het verzamelen van kalmoeswortels voor onze proppenschieters. Ook zgn. ziggen werden er in massa aangetroffen. Met een weinig stroop was dit voor ons een lekkernij.
Ik geloof niet, dat de heer Halbertsma ooit heeft kunnen denken, dat die rietwal zo bebouwd zou worden als thans het geval is geworden. Ik hoor dhr. Halbertsma nog zeggen, nadat eerst de artillerieschuren waren geplaatst en daarna nog enkele schuren daar bij: Nu zullen we wel ruimte genoeg hebben om ons hout onderdak te brengen. Hij zal wel niet gedacht hebben, dat het bedrijf zich zo enorm zou uitbreiden.
Tot zo ver de situatie, welke bestendigd bleef tot 23 Mei 1891.

De "Lytse Fabryk"
Hierna werd begonnen met de bouw van de eerste fabriek, die later altijd genoemd werd de lytse fabryk; dit in tegenstelling met de later gebouwde grotere gebouwen.
Het gebouwtje werd gebouwd op een hoekje van de tuin van de stichter van het bedrijf de heer P.G. Halbertsma, die aansloot bij de bestaande schuren.

500×406px
De familie Halbertsma poseert in de tuin voor de fotograaf
(afbeelding: collectie Halbertsma)

Aan de Noordkant werd een overkapping gebouwd van geringe hoogte. Dit met het oog op het uitzicht op de Grouw, dat Mevr. Halbertsma wilde behouden. Met dezelfde bedoeling werd ook een hoek van de fabriek afgesneden.

600×440px
Gezicht op de tuin van de familie Halbertsma omstreeks 1875
(afbeelding: uit De Kof, jubileumboek 1941, collectie Halbertsma)

Bij een fabriekmatig bedrijf behoort drijfkracht, zodat hierin moest worden voorzien. Voor dit doel werd een ketelhuis gebouwd en een brandstoffenplaats. Dit alles in heel bescheiden formaat.
De stoommachine, die werd aangeschaft, was van geringe capaciteit.
Deze machine werd later vervangen door een locomobiel en enige jaren later is de “Zeister” gekomen. Gelijktijdig werden ook machines aangekocht, die het halffabrikaat verder moesten bewerken.
De ruwe duigen en bodemplankjes, die per wagonladingen uit Duitslanden andere oostelijke landen werden aangevoerd, werden opgeslagen in de reeds eerder genoemde schuren. Het nog aanwezige klufthout vond een plaats in de koemelkerij, die inmiddels door Halbertsma was aangekocht van Wisse Beeksma. Deze koemelkerij heeft later nog dienst gedaan als opslagplaats voor beukenhout.
Door Tjibbe Dokter, die later met zijn zwager Tjalke Zijlstra door een aanrijding met de trein bij Akkrum zo ongelukkig om het leven kwam, is deze koemelkerij van Halbertsma overgenomen en heeft daarvoor in de plaats de bestaande grote zaal van “Oostergoo” gebouwd.
W.P.//

Terug naar de pagina met onderwerpen